Eindigde ik de vorige blogpost nog met een volle garage en mogelijke drukke tijden qua opruimen, loopt het leven toch compleet anders dan je verwacht.

Druk heb ik het gehad, dat zeker, en dat zal ook nog wel even zo blijven. Maar dat ligt niet aan die volle garage.

Op 10 juli ging de broer van Echtgenoot naar de dokter omdat hij steeds zo moe was. De dokter stuurde hem naar huis met de boodschap: 'Eet maar wat meer koolhydraten en neem maar een energiedrankje.' Dat heeft mijn zwager nog twee weken geprobeerd maar toen kon hij letterlijk geen vijf meter meer lopen. Inmiddels kwam hij dagelijks bij ons omdat wij het niet meer vertrouwden dat hij veel alleen was, en terecht, want thuis at hij niet meer. We gingen met hem terug naar de dokter, toen moest hij bloedprikken, toen naar het ziekenhuis. Echtgenoot reed hem overal naartoe, want zelf rijden kon zijn broer ook niet meer.
Om een toch al kort verhaal nog korter te maken: vier weken geleden kreeg mijn zwager te horen dat hij kanker heeft. Uitzaaiingen in het hele lichaam. Niks meer aan te doen. Daarna heeft hij nog ruim een week bij ons gelogeerd, en toen kregen we de indruk dat hij te weinig dronk en daardoor uitdroogde, en heeft de huisarts een plaats voor hem in het hospice geregeld. Daar is hij nu. Zelf heeft hij vrede met het einde, ook al is hij nog maar 58 jaar, en alle bezoek gaat met een goed gevoel weer naar huis. Hij regelt alles wat hij nog kan regelen zelf. Dat wil zeggen ... hij beslist, ik regel.

Als ik dus opnieuw een tijdje niet blog, dan weten jullie hoe dat komt. En hopelijk heb ik de volgende keer iets leukers te vertellen.


Na de renovatie (zie vorige blogpost) stonden we voor een dilemma - we vonden het huis minder leuk geworden. En na 17 jaar wonen zouden we nu langzamerhand nieuwe vloerbedekking moeten leggen (de gaten in de vloerbedekking van de trap begonnen echt op te vallen) en de boel weer eens moeten opknappen. Maar hadden wij daar nog wel zin in? Nu de WC zo klein was geworden, en douchen een soort campingervaring, wilden wij dan nog tijd en geld investeren in dit huis?

Niet echt. En dus besloten we te verhuizen. Over een jaar, zodat we eerst de tijd hadden om op te ruimen en te wennen aan het idee. En toen waren we bij de bouwvereniging om te vragen naar een project van nieuw te bouwen huizen (die over een jaar opgeleverd worden), en zag echtgenoot een huis te huur staan waar hij beslist op wilde inschrijven. Ondanks dat het maar twee slaapkamers had (en geen zolder) en dat dus een probleem zou kunnen opleveren qua berging van de spullen die we in drie slaapkamers (plus een zolder) hadden staan. Ik was sceptisch over het huis maar dacht dat we niet veel kans hadden omdat dit een populair huis was, dus ik liet hem zijn gang gaan.
En toch hadden we twee dagen later een brief dat we het huis toegewezen hadden gekregen. Dat was even schrikken voor mij. Ik heb er meer dan een week over nagedacht en hoofdpijn van gehad (want het huis voldeed weliswaar aan zes van mijn acht wensen, maar die zevende was mogelijk wel een dealbreker), en toen besloot ik er maar voor te gaan. Als we dan in de winter geen zon in de kamer hebben (de zevende wens) dan is dat maar zo .... dan moet ik misschien toch maar aan de kaarsjes. En bij gebrek aan logeerkamer kunnen we in het uiterste geval een super-de-luxe opblaasbed gebruiken.
Bovendien stelde echtgenoot een goede deal voor: nu hij het huis gekozen had mocht ik de inrichting helemaal alleen bepalen. Toen was ik om. Onze smaak loopt namelijk nogal uiteen: waar ik alles licht en ruim (echtgenoot verdenkt mij ervan stiekem de dochter van Jan des Bouvrie te zijn) wil hebben houdt hij nogal van overbodige prulletjes en lelijke relikwieën uit zijn jeugd die vreselijk zijn om af te stoffen. Dus zonder compromissen de inrichting mogen bepalen was te verleidelijk om te laten lopen.

Van een jaar lang rustig opruimen kwam daarom niet veel - alles moest acuut geregeld worden en ingepakt en weggedaan. Ik heb veel overtollige dingen kunnen ruilen via de plaatselijke Facebook-ruilgroep (heel leuk!) voor etenswaren of dingen die voor ons wel nuttig zijn.

En dus zijn we nu verhuisd. De werkelijkheid was vele malen vermoeiender dan het uitspreken van deze woorden,  en ik heb een paar weken op pijnstillers geleefd maar het is gelukt, we zijn over. Ik begin langzaamaan mijn hand weer te kunnen gebruiken (na vijf dagen muren verven en tien Ikea-bouwpakketten was mijn hand zo pijnlijk en opgezet dat ik amper een kopje kon vasthouden) en ik heb gister weer eens gekookt. Weliswaar alleen witlof met een hamburgertje, maar na een paar weken van ellendig fastfood was dat een hele verbetering. Hoeveel ik ook van koken en lekker eten houd, het is het eerste wat ik opgeef in tijden van stress.


De rolgordijntjes hangen (schoonzusje had het bloed op de knokkels staan), er is een stopcontact in de meterkast aangelegd (welke gek bedenkt nou dat je de modem in de meterkast op de kabel moet aansluiten terwijl daar GEEN stroom is voor die modem?) en de planten uit de tuin zijn meeverhuisd op hoop van zegen, want het is het verkeerde seizoen.

Het huis is beneden groter dan ons oude huis, met een keuken waar je met meer dan een persoon kunt staan (hoera!). En een bijkeuken (die ik zeventien jaar enorm gemist heb) en een garage, en een tuin op het westen in plaats van op het noorden. Verder ligt de straat aan een brede sloot met veel kikkers en eenden en er staan knotwilgen en het lijkt soms op zo'n straatje uit The Truman Show - te volmaakt. Afgezien van het slopende harde werk heb ik tot nu toe steeds het gevoel alsof ik in een vakantiehuis zit. Zingende merels, de zon die naar binnen schijnt, kindertjes die buiten spelen. De gordijnen in de openslaande tuindeuren (ook dat nog!) die zachtjes wapperen in het briesje. Kortom: bij nader inzien was het toch het perfecte huis. Vooral nu het helemaal naar mijn smaak is ingericht. (Uitgezonderd van de kamer van dochter J. die interieursgewijs een plotselinge voorkeur blijkt te hebben voor alles wat we sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben geprobeerd te vergeten: Bruin. Franje. Jute. Riet. Als ze binnenkort gaat macrameeën zal me dat niks verbazen.)


Nu alleen het oude huis nog schoonmaken, wat nog tegenvalt want ik dacht dat ik best schoon was maar als je huis leeg is blijkt dat overal nog spinnenwebben rondhangen en vettige laagjes zitten op plaatsen waar je nooit komt met de wekelijkse schoonmaakronde. Vrijdag leveren we de sleutel in. Hoera.

En dan moeten we de nieuwe garage nog leegmaken, die vol staat met dingen die - ook na de drastische opruimactie - toch niet in het huis passen...waaronder dertig jaargangen Donald Duck (niet van mij), drie kasten, vijf dozen met spullen van dochter A. die al twee jaar niet meer thuis woont.
Want voor je het weet ben je twee jaar verder en staat die garage nog steeds vol, dus daar moeten we meteen korte metten mee maken. Mocht een volgend blog dus weer even op zich laten wachten, dan weet je waar ik mee bezig ben.



En kijk ondertussen nog even naar mijn leuke behangetje. 

Groot onderhoud. Als ik niet beter wist zou ik denken dat de Bouwvereniging het speciaal heeft uitgevonden om mijn uithoudingsvermogen te testen. Een uithoudingsvermogen dat beschamend klein blijkt te zijn voor iemand die bij wijze van ontspanning het SAS-handboek leest.

Na twee weken ernstige overlast (lees: werklieden die, beginnende om 07.15, de hele dag in en uit mijn huis wilden, hevig lawaai en bergen rommel maakten en ons zonder water en stroom opsloten in de woonkamer terwijl we al die tijd geen douche en toilet hadden, en en passant nog even de stroomdraad levensader naar mijn elektrisch fornuis doorzaagden) hoeft er nu alleen nog maar geschilderd worden. Buitenom. Ik, met mijn optimistische instelling, had bedacht dat dat een peuleschilletje zou zijn vergeleken met die twee weken. Want: buiten is niet binnen. En: buiten schilderen veroorzaakt geen WC-stress.
Nou, dat had ik dus verkeerd ingeschat. De schilders blijken van het dommige soort en praten alleen binnensmonds. Om de vijf minuten wordt er aangebeld omdat er een deur dan wel raam open moet, of juist weer dicht, en ik moet alles navragen omdat ze hun woorden niet echt kwijt willen. Een mannetje is vandaag al vier keer geweest om 'een beetje stroom' te vragen mompelen. Telkens voor twee minuten, daarna belt hij weer aan om zijn stekker weer terug te krijgen. 
Net nu de kit-walmen van tussen de verse tegeltjes zijn opgetrokken worden we vergiftigd met verfdampen. En met alle ramen open is het ook niet bijster warm. Waarom doen ze zulke dingen altijd in de winter? Ik heb twee keer eerder een renovatie/groot onderhoud meegemaakt en beide keren zaten we te klappertanden omdat het al half november was. (Ik schrijf dit terwijl een schilder half mijn woonkamer inhangt en in een Fries dialect tegen zijn kompaan buiten praat over appeltjes. Ik ben de onzichtbare vrouw.)
En uiteraard bellen ze telkens net aan als ik denk veilig even op mijn nieuwe maar akelige WC te zitten. Je zou van minder een spastische darm krijgen.
Nu zie ik de rest van de twee weken dat er geschilderd wordt met angst en beven tegemoet. Nog twee weken steigers voor de deur. Twee weken de slaapkamergordijnen dichthouden. De kachel uit. De adem in. 
Ik weet het: ik hoor blij te zijn, want ik heb een gemoderniseerde WC en douche gekregen en het buitenschilderwerk wordt gedaan. 
Maar na opgegroeid te zijn in een schattig boerderijtje dat gedurende achttien jaar verbouwd werd heb ik mijn portie kou, stof, herrie en chemische dampen gewoon wel gehad. Ik wil comfort. Ik wil orde, netheid, warmte. Ik verhuis nog liever dan dat ik in een renovatie/verbouwing/groot onderhoudsmomentje zit.
Wat mij in deze dagen op de been houdt is denken aan mensen in vluchtelingenkampen, want die moeten dag in dag uit in dit soort stress leven. En dan ook nog met duizenden mensen bij elkaar. Dat moet een nachtmerrie zijn. (Zo sprak ik mezelf ook altijd toe als we gingen kamperen; Je kunt dit, want de kindertjes in Afrika zijn er veel slechter aan toe. Wat dat nog met 'plezier' en 'vakantie' te maken had, weet ik eigenlijk ook niet.)
Enfin. Ook dit zal voorbijgaan. Het enige positieve wat het oplevert is een blogpost. Kennelijk is akeligheid de drijfveer die mij tot schrijven aanzet. Dus jullie mogen de Bouwvereniging wel dankbaar zijn.




Ach, wat lief. Firma Fluitenkruid (ik durf nog steeds niet geloven dat ze echt zo heet) heeft mij genomineerd voor een Liebster Award. Wat dat dan ook mag zijn. Ik vind doorgeefblogawards soms een beetje awkward, het heeft zo'n hoog kettingbriefgehalte. Maar omdat het Firma Fluitenkruid is (of niet dus, *grijns*) zal ik mij onderwerpen aan dit 'diepte-interview'.

1. Waar ben je zoal mee bezig?
Momenteel (vanaf vanochtend kwart over zeven) wordt ons huis gerenoveerd. En daar word ik een beetje nerveus van, al die mensen die je huis in en uit lopen, en troep, en geen water, geen WC en geen badkamer. Het goede nieuws is waarschijnlijk dat ik - omdat schoonmaken geen zin heeft en ik de helft van mijn huis niet kan gebruiken - tijd heb om te bloggen. 

2. Wie of wat is je grootste inspiratie?
Iedereen van wie ik iets leer. Dat zijn (of waren) leraren op school, schrijvers, bloggers, mijn moeder, de hond... 

3. Met wie zou je wel een dagje willen ruilen? 
Met mijn dochter die wijsbegeerte studeert. Ik ben niet naar de universiteit geweest en ik zou wel eens een dagje student willen zijn!

4. Wat zit er in je handtas? 
In mijn kleine handtasje zit: geld, pasjes en kortingkaarten, een Zwitsers zakmes, een brillenpoetsdoekje, een pen, mijn sleutelbos, mijn telefoon, een haarspeldje en pijnstillers. Dit is het handtasje voor boodschappen doen, op visite gaan, ouderavonden en naar de kapper.

Voor winkelen of een dagje weg heb ik een grotere handtas.
In die grotere handtas zit: Libresse, twee brillendoekjes, blaarpleisters, een EHBO-setje, een mini rolmaat, twee pennen, lipstick, arnicazalf, een tekentang, nog een tekentang (what the heck?!), mijn zonnebril, nog een brillendoekje, een klein hartvormig doosje waar ik rozijntjes en noten in doe voor trek onderweg, zakdoekjes, pijnstillers, theezakjes, nog een brillendoekje (ik begin ineens in de gaten te krijgen waar al mijn brillendoekjes gebleven zijn), een nagelvijl, een vlekkenstift, lipbalsem, concealer. Hee, nog een rolmaat (ik wist niet eens dat ik er twee had!). Een vouwparaplu (maar die zit er normaal nooit in). En mijn Dopper waterfles. Als we op vakantie gaan komt daar nog de Dwarsligger 'SAS handboek' bij.
Er zijn mensen die aan taslezen doen. Maar volgens mij heb je weinig fantasie nodig om te bedenken dat ik het type 'altijd voorbereid' ben - gezien alle medische hulpmiddelen en voorzorgsmaatregelen voor elke situatie zoals: onverwacht bij de IKEA terechtkomen (rolmaat), een teek tegenkomen in de stad (twee tekentangen) en onverwacht lange nagels krijgen (waarvoor ik dan een nagelvijl nodig heb).

(Als je geen handtas hebt: wat zit er op dit moment in je vriesvak?) Geen brillendoekjes, gelukkig. Ik heb het gecheckt.

5. Wat vind jij echt onwijs irritant?
Mensen die zeggen dat 'ze zich irriteren aan' dingen. Of 'zich beseffen dat' ... eigenlijk schendingen van de taal in het algemeen. Aan de andere kant realiseer ik me dat taal altijd in ontwikkeling is, en wil ik ook niet zo zijn als mijn oma die dertig jaar na de spellingswijziging nog 'menschen' schreef. Dus het blijft tegenwoordig bij stilletjes ergeren in plaats van keihard corrigeren. 

6. Waarvan geniet jij het meest?
Lezen in bed. Gezond, lekker eten. Thee van Simon Lévelt (Earl Green, bijvoorbeeld). Mijn chihuahua als ze heel blij is. Mijn ipad. Lijstjes maken. Een heel schoon en opgeruimd huis, en dat dan de zon naar binnen schijnt. Terwijl de ramen dan toevallig ook net gewassen zijn.

7. Is er iets wat je al heel lang wil doen maar er nog altijd niet van is gekomen?
Een boek schrijven. 

8. Wat is je irritantste gewoonte?
Ik denk dat mijn kinderen zouden zeggen: niet goed luisteren. Ik ben meestal heel druk bezig in mijn hoofd en dan gaan de dingen in de realiteit wel eens aan mij voorbij. 

9. En waar ben je juist trots op?
Dat ik op mijn 30e mijn rijbewijs nog heb gehaald. Dat ik twee jaar geleden 17 kilo ben afgevallen en een stabiel gewicht heb. Dat ik niet stilsta, maar mezelf altijd doelen stel en dan iets bereik. Dat zijn niet per se dingen die door anderen waargenomen worden, maar ik weet dat ik iedere dag vooruitga en steeds een beetje beter ben dan gisteren.

10. Wat zou je doen met een half miljoen? 
Een nieuwe garderobe aanschaffen. Een weekje lekker in een hotel. Misschien wel een huisje in Drenthe kopen.

11. Waar kijk je straks op je sterfbed met tevredenheid op terug? 
Ja, dat vraag ik me ook geregeld af. Tot nu toe kan ik niets verzinnen. Dus dat is nog work in progress...

Plus twee bonusvragen voor de dames van mijn leeftijd:

Wie wilde jij vroeger altijd zijn: Agnetha of Annifrid?
Ik heb ABBA pas een paar jaar geleden ontdekt, dus de echte hype is aan mij voorbijgegaan ook al ben ik wel van jouw leeftijd. Wie ik wel altijd graag wilde zijn was George, het stoere meisje uit De Vijf. Zo'n meisje met een zakmes (maar zonder nagelvijl).

Welke Charlie’s Angel wilde jij altijd zijn? 
Sorry, heb ik ook niet meegekregen, opgevoed zonder TV. 
Ik ‘ben’ Monica uit Friends (die ken ik want die serie kijk ik nu online.)


P.S. het blog van Firma Fluitekruid staat rechts van deze post in de lijst met favoriete blogs.

Nou dacht ik toch wel ongeveer op het hoogtepunt van de ondergoed-evolutie te zijn beland: Na een jeugd met tweedehandsjes, een tienertijd met uitverkoopjes, en daarna de mama-heeft-geen-geld-voor-zichzelf-periode gevolgd door 'drie slips voor een tientje' van de HEMA afgewisseld met af en toe een leuke BH in de uitverkoop bij de Hunkemöller, heb ik eindelijk het punt bereikt dat ik bij de lingeriezaak complete setjes koop. Het mag misschien geen naam hebben, maar ik vind het toch een vooruitgang. Het zit lekker, het staat mooi en ik ben het waard. Bij de Hunkemöller kennen ze me inmiddels en wrijven ze in hun handen als ik de winkel binnenloop. Kassa!
Dus ik voel mij een hele mevrouw, zeg maar.
Maar dat is niet terecht. Ik blijk nog niet op de helft te zijn, ondergoedsgewijs.
Terwijl ik een mogelijke nieuwe aankoop paste, zei de verkoopster iets aardigs over de BH die ik aanhad. Ik zei dat die al oud was, en misschien zelfs niet meer de goede maat was. "Hoe kan dat nou?" vroeg ze, "Je hebt zoveel nieuwe en mooie BH's gekocht, waarom draag je dan een oude?" (Ja, dat ze dat weet verraadt mijn status in die winkel.)
Dat kan ik uitleggen, en dat deed ik ook. In de tijd dat ik goedkoop ondergoed droeg, had ik een of twee setjes voor het mooie. Maar ja, die waren wat duurder geweest en wilde ik mooi houden, dus die droeg ik eigenlijk niet (zinloos, nietwaar?). Inmiddels heb ik voor alle dagen mooie setjes, en hoef ik niks meer te 'bewaren', met als gevolg dat ik nu alle mooie ondergoed ook echt draag. Dus ook de voorheen zuinig bewaarde luxe BH.
"Echt vrouwenlogica, " lachte de verkoopster toen ik dat uitlegde.
Toen vertelde ik dat ik kort geleden onverwacht naar de dokter moest, en maar wát blij was dat ik niet langer versleten HEMA-boxers draag. Ik weet ook wel dat het zo'n dokter of assistente helemaal niets kan schelen, en dat die alle soorten en maten ondergoed gewend zijn, maar voor mezelf is het wel een prettig gevoel dat ik iets draag waar geen draden aan hangen of gaten in zitten.
Daarop had de verkoopster ook een verhaal: onlangs was er een wat oudere vrouw in de winkel geweest die een pyjama uitzocht, en daar nogal precies over deed. Er waren er meerdere die haar pasten en goed stonden, maar ze deed ingewikkeld over de kleur. Toen de verkoopster had gevraagd wat precies het probleem was, had de vrouw haar toevertrouwd: "Ik ben geregeld ziek, en dan komt de dokter langs; dan wil ik wel graag dat mijn pyjama matcht met mijn dekbedhoes." O. Dat is natuurlijk ook een idee... In een flits trok de toekomst aan me voorbij en naar adem happend begreep ik ineens dat ik er nog láng niet ben met bij elkaar passend ondergoed. Pyjama, ochtendjas, dekbedhoes, slaapkamer. Help!




Onweer
Echtgenoot en ik verschillen hemelsbreed van elkaar. Dat weten we en dat is meestal geen probleem. Maar nooit werden die verschillen duidelijker dan toen het begon te onweren, op een duistere nacht tijdens de vakantie. 
Ik hou niet van onweer. Tot een paar jaar terug was ik zelfs doodsbang voor onweer. Bibberend van angst onder het altijd veel te warme dekbed bij onweer. Met het licht aan, de ogen stijf dichtgeknepen (nu ik het opschrijf besef ik dat dat heel erg onlogisch is) en de vingers in de oren. Met de ramen hermetisch gesloten en alle stekkers uit het stopcontact.
Echtgenoot daarentegen is dol op onweer. Hij wil foto's maken van bliksem. Slechts met de grootste moeite kan ik hem binnenhouden als de donder rolt. Ik lees hem wekelijks alle onweersdoden en -gewonden voor van over de hele wereld in de hoop dat hij dan in huis blijft. Het helpt nauwelijks.
Toen dus in de vakantie onweer werd voorspeld, zwáár onweer zelfs, leefde hij helemaal op. Van uur tot uur werd het weerbericht gevolgd, de wolken werden bestudeerd. Maar het noodweer scheen ons huisje in het dal voorbij te gaan en diep teleurgesteld ging hij slapen.
Om 2.45 werd ik wakker door nog onhoorbaar maar naderend onweer. Ik word helaas altijd wakker net voordat het begint te rommelen. Dus vanaf het eerste zachte geluid in de verte moet ik het meemaken. Ik zou er liever doorheen slapen, maar dat is mij niet gegund.
Ik zuchtte dus: 'Onweer' en meteen sprong echtgenoot uit bed - hij slaapt juist overal doorheen als ik niks zeg.
Het onweer kwam dichterbij en echtgenoot ging in de woonkamer blij in de weer met zijn camera. Het flitste flink dus hij kon van alles uitproberen met instellingen. Ik deed het lampje op het nachtkastje aan, probeerde kalm te blijven en bedacht dat als het onweer nog dichterbij zou komen ik ter afleiding maar wat zou gaan lezen in de dikke Agatha Christie-omnibus die ik bij me had. Slapen zou dan toch even niet lukken.
Toen stuiterde echtgenoot naar binnen, gooide gordijnen en raam van de slaapkamer open en deelde over zijn schouder mee: 'Het licht moet hier uit, anders kan ik geen foto's maken.'
Ik knipte het licht maar weer uit. Tuurlijk. Alles voor de fotografie. Ik kon het tenslotte altijd weer aandoen als het onweer te hevig werd. Ik kneep mijn ogen dicht en probeerde niet aan onweer te denken. Of aan die hoge zendmast met bliksemafleider die pal voor het slaapkamerraam stond. Dat lukte. Een beetje. Als ik heel hard aan Miss Marple dacht.
Maar toen vroeg echtgenoot: 'Waar heb je dat dikke boek? Er lag hier vandaag zo'n heel dik boek. Dat heb ik precies nodig om onder het fototoestel te leggen.' 

En toen voelde ik me best wel onbegrepen. En heel zielig. En toen vroeg ik me toch ook wel even af hoe het mogelijk is dat wij al bijna 21 jaar bij elkaar zijn.

Eten
Voordat ik op vakantie ging wist ik het zeker: deze keer zal ik me ook tijdens de vakantie aan mijn suikervrije en tarwevrije dieet houden. Omdat ik me na de vorige vakantie letterlijk een wrak voelde. En dat is toch ook jammer.
Ik kook dus een dozijn eieren voor onderweg, en neem eigengebakken tarwevrij (lifechanging) brood mee: op alles voorbereid.
Maar dan eten we een ei en zegt dochter J. dat ze vindt dat er een rare nasmaak aan zit. Prompt lijken de overige tien eieren een akelig mogelijk-verrot luchtje te hebben. Ik lust ze niet meer. Na drie dagen in afwachting op het aanrecht in het appartement belanden ze in de vuilnisbak.

En dan kom ik in de supermarkt. Rote grütze. Met vanillesaus! Dat moet ik toch beslist kopen, dat kan ik alleen maar in Duitsland eten! Heerlijk zurig, hard roggebrood. Dat roosteren en eten met roomboter. Zure zult! Niet te versmaden. Duizend soorten chocola, waarvan we tenminste toch een paar soorten willen proeven. Onbeperkt thee en wafels eten met zwarte bessen of kersen en slagroom. Stukje bij beetje geef ik toe. Tot die ene avond. Na één bijzonder chocolaatje (puur met sinaasappelmarsepein, paste prima bij de heerlijke sinaasappel-gemberthee) te veel is het genoeg. Nu echt. Ik koop alvast kefir in een potje. Vanaf morgen weer helemaal gezond. 

Dat goede voornemen redt het nog niet eens tot de volgende ochtend. Om zeven uur word ik wakker (ik pas mij langzaam aan het vakantieritme aan, ha!) en maak ik thee. En ik besluit de dag te beginnen met een Bounty puur, want dan hoef ik daar de rest van de dag geen interne discussies meer over te voeren. Ja, zo wordt het natuurlijk nooit wat, kefir of geen kefir.

Apfelstrudel met vanillesaus, die valt een beetje tegen. Nog een keer apfelstrudel bij wijze van vergelijkend warenonderzoek. Gepaneerde schnitzel. Alles is ook zo lekker in Duitsland. De kefir staat nog in het potje.
Ach, de vakantie is bijna over, troost ik mijzelf. Het is maar een week. En ik ken mijzelf, hierna ben ik weer een jaar helemaal gezond bezig. Niet zo moeilijk: in Nederland is gelukkig niks lekkers te koop.